Als fotograaf en textielkunstenaar die al jaren werkt met enerzijds analoge als digitale technieken, ervaar ik dat de combinatie van fotografie en textiel nieuwe mogelijkheden biedt om verhalen te vertellen. In dit artikel presenteer ik specifieke inzichten, werkwijzen en referenties die je direct kunt toepassen, of je nu net start dan wel al een eigen praktijk bezit.
De interactie van licht en vezeltextuur
Een foto die op textiel wordt gedrukt, ontvangt een verschillende visuele laag omdat het licht via de draden weerkaatst en verspreidt. Het eindresultaat is nooit exact hetzelfde als op papier. Ik optioneer daarom altijd voor een proefafdruk op het definitieve doek vooraleer ik een groot werk maak. Zo zie ik hoe de opbouw van linnen, katoen of zijde het tegenstelling en de kleurstelling verzachtend beïnvloedt of daarentegen intensiveert.
Het licht welke op een weefseloppervlak schijnt, Textile Art Projects — ideeën, verandert per uur en per vertrek. In mijn atelier test ik daarom prints op verschillende momenten van de dag. Een foto die bij de ochtend neutraal overkomt, kan bij de middag heter raken door de zuiderlijke lichtval. Door dit te documenteren, ontwikkel ik een klein lichtlogboek op dat ik later kan raadplegen bij andere projecten.
Om de draadstructuur zichtbaar te houden, gebruik ik een matte inktlaag eerder dan een glansvolle coating. De matte laag verhindert dat het licht te veel reflecteert en houdt de structuur van het weefsel intact. Dit is vooral belangrijk bij portretfoto’s waarbij huidweefsel en kledingkenmerken een rol spelen.
Het naaien als compositorisch middel
Het naaien is geen loutere afwerking maar een dynamisch element van de compositie. Door draden verschillende dikte te gebruiken, kan ik strepen toevoegen die de foto extra opdelen of precies samenbinden. Bij een serie over migratiepatronen naaide ik bijvoorbeeld dunne rode lijnen over de foto’s heen, die de routes van vogels volgden die ik eerder had gefotografeerd.
De stikrichting is belangrijk. Een horizontale steek loopt mee met de richting van de weefseldraden en blijft nagenoeg onzichtbaar. Een verticale of diagonale steek breekt het patroon en trekt de aandacht. Ik gebruik daarom een combinatie van beide: de horizontale steek voor geringe bijstellingen en de diagonale steek voor accenten die het verhaal kracht bijzetten.
De kleur van de draad beslist of de naad versmelt met de foto of net contrasteert. Bij een donkere foto selecteer ik een donkere draad zodat de steek uitsluitend te zien is als het licht onder een hoek valt. Bij een lichte foto hanteer ik een contrasterende kleur om een extra laag toe te voegen die de toeschouwer stimuleert om naderbij te komen.
Belichting en contrast bij het afdrukken
De belichting tijdens het printen dicteert hoe nauwkeurig de details op het textiel waarneembaar worden. Ik werkzaam met een UV-lamp die ik op een stabiele afstand van 40 centimeter boven het doek plaats. Te dichtbij resulteert in overbelichting en vlekken; te ver weg geeft een te zachte overgang tussen lichte en donkere partijen.
Contrast is een andere variabele. Een foto met hoge contrastwaarden kan op textiel te scherp ogen, omdat de vezels het licht diffuus maken. Ik reduceer daarom het contrast met ongeveer 15 procent in de digitale bewerking voordat ik print. Dat levert een natuurlijkere overgang en voorkomt dat schaduwen volledig zwart raken.
Ik test altijd een strookje van 10 bij 30 centimeter met verschillende contrastwaarden. Op die strook registreer ik de exacte instellingen van de printer en de belichtingstijd. Zo ontwikkel ik een referentietabel op die ik kan bekijken bij nieuwe projecten zonder telkens opnieuw te hoeven testen.
Het kiezen tussen digitale en analoge technieken
Digitale fotografie levert spoed en herhaling, maar mist soms wel de tactiele kwaliteit die analoge opnames hebben. Ik werk daarom met een middenformaat camera voor de digitale reeks en een 4×5 inch camera voor de analoge reeks. De twee series worden later naast elkaar gelegd om te bepalen welke sfeer het beste past bij het textielproject.
Analoge film heeft een korrel die zichtbaar blijft na het printen op textiel. Die korrel kan een extra laag toevoegen aan het verhaal. Bij een serie over industriële gebouwen combineerde ik bijvoorbeeld korrelige zwart-wit foto’s met grof geweven jute. De korrel versterkte het gevoel van ouderdom en slijtage dat het gebouw al toonde.
Digitale technieken zijn echter noodzakelijk als ik meerdere lagen wil combineren. Met Photoshop kan ik een foto eerst omzetten in een rasterpatroon dat lijkt op een weefselstructuur. Dat raster print ik vervolgens op een dunne zijde die ik weer op een dikkere drager naai. Zo ontstaat een dubbele laag die zowel digitaal als handmatig tot stand is gekomen.
Preparatie van het textieloppervlak
Alvorens een foto op textiel wordt geplaatst, moet het oppervlak te worden voorbehandeld. Ik was het doek aanvankelijk op 60 graden om alle appret te verwijderd krijgen. Vervolgens breng ik een dunne laag polyurethaan op die de inkt beter behoudt. Deze laag is transparant en verandert de kleur van het weefsel nauwelijks, maar waarborgt dat de inkt niet door de draden heen lekt.
Het drogen vindt plaats op een rekbare frame zodat het doek strak wordt gehouden. Als het frame te klein weegt, komen er er golven die later bij het printen voor onscherpte zorgen. Ik bepaal daarom altijd de exacte afmetingen van het frame en schrijf die bij het bestand, zodat ik later precies weet hoe het doek zich gedroeg.
Een tweede voorbehandeling betreft het aanbrengen van een lichte primer op basis van acryl. Deze primer maakt het oppervlak iets gladder zonder de textuur geheel weg te halen. Bij fijne foto’s met veel detail, zoals macro-opnames van planten, merk ik dat de primer het contrast verhoogt en de kleuren voller doet uitkomen.
Archivering en bewaring van hybride werken
Hybride werken van foto en textiel behoeven een verschillende bewaarwijze dan traditionele foto’s. Ik bewaar ze liggend in zuurvrije dozen met tussenliggende vellen Tyvek. Tyvek is ademend en verhindert dat vocht zich ophoopt, terwijl het gelijktijdig stof en licht blokkeert.
Temperatuur en luchtvochtigheid dienen stabiel te blijven. Een schommeling van meer dan 5 graden Celsius per dag mag de lijm tussen foto en textiel aantasten. Ik meet daarom de condities in de opslagruimte met een digitale hygrometer en schrijf de waarden elke week. Bij discrepanties stel ik de ventilatie aan of verplaats ik de dozen naar een andere ruimte.
Voor transport hanteer ik een platte kist met schuimrubber aan de binnenkant. Het schuimrubber is gevormd in de vorm van het werk, zodat het niet kan schuiven. Op de buitenkant plak ik een label met de afmetingen en het gewicht, zodat de vervoerder weet dat het werk kwetsbaar is en liggend moet worden vervoerd.
Documentatie van het creatieve proces
Het registreren van het proces maakt het mogelijk om later te reflecteren op beslissingen die tijdens het maken werden genomen. Ik leg vast elke tussenstap met een onveranderlijke camera-standaard en dezelfde lichtval. Zo ontstaat een collectie die toont hoe een idee zich evolueert van schets tot finale uitvoering.
De documentatie bevat ook niet-geslaagde testen. Een print die te donker blijkt of een naad die scheef loopt, wordt eveneens geregistreerd. Door deze fouten te behouden, herken ik patronen in wat niet lukt en kan ik die in een volgend project omzeilen. Het bestand van mislukkingen is daarom even waardevol als het archief van succesvolle creaties.
De documentatie ontwikkelt zich tot uiteindelijk zelf een kunstwerk. Ik selecteer een selectie procesfoto’s en print die op dun blad dat ik daarna op het finale textielwerk plak. Zo wordt gecreëerd een tweevoudige dimensie waarin enerzijds het finale stuk als de traject ernaartoe te zien wordt. Dit geeft de toeschouwer een blik in de complexiteit van het creatieve proces.